Als Iron lady ken ik geen Metoo. Ben ik voer voor psychologen?

#MeToo na 1 jaar. Wat was het ook alweer? Waarom is het belangrijk? En wat heeft het met ons gedaan? Zijn we doorgeslagen?

Misbruik maken van je positie tegenover iemand die afhankelijk van je is of denkt te zijn. Dat is voor mij de essentie van #metoo. Het heeft ons gestemd tot nadenken over waar de scheidslijn ligt tussen ‘moet kunnen’ en ‘mag niet’ of ‘kan echt niet meer.’ Het artikel van Daphne van Rossum, waarin Tosca Gort – arbeidspsycholoog – haar visie geeft in Vrouw.nl raakte voor mij die essentie. 

She is not of that kind

She is not of that kind… of Don’t mess with that one! Zinnen die ik mannen achter mijn rug naar elkaar heb horen uitspreken. Of ik trots ben op mijn bijnaam Iron Lady? Nee, niet echt. Het is ontstaan, de afgelopen jaren zo gegroeid. Ooit is een Algemeen Directeur begonnen mij zo te noemen en sindsdien nemen anderen dat over. Ik voel me geen ijzeren tante en het is ook nooit mijn bedoeling geweest om die bijnaam te krijgen, laat staan te koesteren.

Zou mijn ‘IJzeren imago’ ertoe hebben bijgedragen, dat ik nooit een reden heb gehad om #metoo te twitteren of te posten? Ik kan me niet herinneren dat ik tijdens mijn loopbaan ben gemanipuleerd, onder druk gezet of anderszins sexueel ben geïntimideerd. Ik heb me  toeschouwer en soms zelfs buitenstaander gevoeld in de #metoo periode.

Val ik in een andere categorie dat er bij mij niks te ‘me-too-en’ valt? Ben ik voer voor een psycholoog als ik niet blik of bloos van een sexueel getinte opmerking of het nafluiten op straat? Mij niet geïntimideerd voel op straat door een groep mannen die mij na kijkt – ook na zonsondergang – en er gewoon aan voorbij loop en helemaal niks voel? Zou er bij mij een normvervaging zijn opgetreden, waardoor ik het niet meer zie?  Of moet ik mijn zegeningen tellen en dankbaar zijn dat mij nooit iets noemenswaardigs is overkomen? Ik vrees het laatste.

Mijn Franse baas en zijn complimentjes

Op basis van mijn kennis van en spreekvaardigheid in de Franse taal, werd ik in de jaren 80 door een Franstalige flamboyante en uiterst charmant ogend jong directielid geselecteerd als zijn persoonlijk secretaresse. Ik heb wat jaloerse blikken van secretaresse collega’s toegeworpen gekregen (en wie weet wat ze nog meer van me dachten…). Hij was chique gekleed, droeg een kasjmir mantel, had een goeie kop met haar. Een buitengewoon knappe vent die door de electronicagigant, waarvoor we werkten, als een potentiele doorgroeier werd aangemerkt.

Hij reisde de hele wereld rond en dat gaf mij de gelegenheid om ervaring op te doen in zijn internationale omgeving. Hij heeft me weleens gezegd dat mijn uiterlijk de doorslag heeft gegeven om mij aan te nemen. Ik zou daarmee meer ‘credit’ opbouwen en verdienen. Als 19-jarige begreep ik toen niet precies wat hij met die opmerking bedoelde maar gaf hem toen al vlijmscherp terug, dat ik liever op de ‘content’ en de ‘output’ mijn ‘credit’ bij elkaar zou schrapen. 

Hij maakte me complimenten; over mijn haarkleur, mijn lippenstift of oorringen. Ik bedankte hem ervoor en vond het dus prima. Ik maakte hem complimenten over zijn nieuwe stropdas, zijn prachtige handgemaakte leren schoenen of nieuwe Parijse coupe. Hij leek er ook altijd van op te fleuren.

Vast iets te compenseren?

Ik verbaasde mij over de vele vrouwelijke collega’s, die tijdens de lunch een glimp van mijn baas probeerde op te vangen. Met een smoesje de directie-kantine (toen at de directie nog apart van het werkvolk) betraden in een poging in hun strakke rok zijn aandacht te trekken. Ik had zelfs medelijden met hem. Ik kende zijn gezin; zijn vrouw was een depressie nabij door haar heimwee naar de VS. Ze hadden vijf kinderen; drie handenbinders en twee onuitstaanbare pubers. Ik wist hoe hard hij werkte, hoeveel energie het hem kostte om zijn potentie waar te maken. Zelfs bij het kopieerapparaat waren het de dames, die maar al te graag het A4-tje uit zijn handen rukte om het ‘even voor hem te doen’. Net als elke vent, hield ook hij van speeltjes. Toen hij op een dag trots met een veel te grote BMW kwam voorrijden, was mijn eerste opmerking dat ie  ‘vast iets te compenseren had’. Die man heeft toen toch genoeg redenen gehad om #metoo te twitteren?

Onafhankelijk met gezonde zakelijke afstand

Ik was niet afhankelijk van hem. Van mijn baas, bedoel ik. Het was voor mij weliswaar een uitgelezen kans om over de schouder van een directeur met internationale commerciële verantwoordelijkheid mee te kunnen kijken, maar hij was evenzo blij met een assistente die in zijn moedertaal kon telefoneren, converseren en brieven kon schrijven. Bovendien leidde ik hem door het doolhof van regels in Nederland; Belastingdienst, Wegenbelasting, Kinderbijslag en Ziektekostenverzekering. Hij en zijn vrouw kenden heg noch steg in Nederland, spraken de taal nog nauwelijks. Als zij er niet waren, zorgde ik voor een betrouwbare oppas aan huis, de thuiskapper voor de kinderen en plande de onderhoudsbeurt voor de auto. Mijn dienstverlening ging ver en reikte verder dan de kantoormuren, maar ons contact was altijd met een gezonde zakelijke afstand, professioneel en gebaseerd op wederzijds vertrouwen en – last but not least – wellicht wederzijdse afhankelijkheid.

Ik spreek nu over een tijdperk ruim 30 jaar geleden en veel #metoo voorbeelden hebben hun oorsprong in die periode. Zou de persoonlijke groei van vrouwen in relatie tot onafhankelijkheid of wellicht de toename van wederzijdse afhankelijkheid door de jaren heen, er de voornaamste oorzaak van zijn dat er anno 2017 een giga uitbraak van openheid en discussie is ontstaan?

Wat mij tegen stond aan #metoo

Wat mij tegen stond tijdens de #metoo affaire, was het uitvergroten van de omgang tussen mannen en vrouwen, vooral op de werkvloer. Alles leek vrouwen tot in het diepst van de ziel te raken. Ineens moest worden opgepast met de troostende arm en de bemoedigde hand op de schouder van de vrouwelijke collega. Het artikel in De Ondernemer van Willeke Bezemer sloeg voor mij de deur dicht. Ook AD publiceerde hetzelfde artikel.

Het voorbeeld van de rok op de trap slaat echt alles. Elke vrouw weet toch dat je een man op de trap voor laat gaan? Het is zelfs een zakelijke etiquette. Waar is onze gezonde assertiviteit en weerbaarheid gebleven? Zijn we dan zo monddood geslagen, dat we niet meer in staat zijn om zelf invloed te hebben op de cultuur waarin we met elkaar leven en werken? Om zelf en met elkaar te bepalen wat kan en niet kan, mag en niet mag? Er leek een soort verkramping te ontstaan, waarin we vooral op zoek leken naar leidraad en voorgeschreven regels.

Cultuurverandering laat zich niet bij wet regelen

Als ik mij zou moeten ergeren aan de zinspelingen die hier dagelijks over de vergadertafel gaan, zou ik het nooit vijf jaar uitgehouden hebben. Opnieuw maak ik mijzelf toeschouwer van het gebeuren, want ik heb niet de illusie dat ik als bezoeker in Kenia enige ‘culture change’ op gang kan brengen. Gelijkheid in gender, geloofsovertuiging en zelfs gelijke vertegenwoordiging van stammen is weliswaar bij de wet geregeld in Kenia, maar of dit werkelijk bijdraagt aan het terugdringen van discriminatie en machtsmisbruik – sterker nog – een cultuurverandering teweeg brengt? Ik vraag het mij oprecht af. 

Is de gewenste cultuurverandering de voornaamste reden geweest voor de oud-medewerkers van Troubleyn om in een open brief aan een cultuurtijdschrift het grensoverschrijdende gedrag van hun voormalig regisseur te adresseren in plaats van het bewandelen van de juridische paden? De aantijgingen gaan ver en mogen op z’n minst serieus genomen worden. Frappant is wel, dat deze publicatie ook andere getuigen wakker schudt, die vervolgens blijk geven van een enorme bereidheid om hun persoonlijke ervaringen open op internet te delen. 

Had #metoo niet juist betrekking op slachtoffers die – na jarenlang vol schaamte- en schuldgevoel stil in het duister van de coulissen te hebben doorgebracht – elkaar steun en aanmoediging toefluisterden enkel door het posten en twitteren van die twee kleine woordjes ‘me too’….? 

#metoo; balans en nuance. Het blijft voor mij een zoektocht. 

Na 6 jaar te hebben gewerkt in Kenya en Tanzania als expert op het gebied van drinkwater, zette ik in januari 2019 voet terug op Brabantse bodem. Ik switchte mijn carrière en werk nu met veel plezier als Export Sales Manager Afrika bij een fabrikant van geneesmiddelen, voedingssupplementen en desinfectants voor de veterinaire sector. Ik schrijf graag over mijn observaties in mijn werk, dagelijks leven en multi-culturele relatie. Ik trouwde in 2017 met mijn Swahili man, Dulla.