Ode aan Mariam, mijn Senegalese hulp in de huishouding
In Senegal hebben veelal de beter gesitueerden een hulp in de huishouding. Door het stof wordt het hier sneller vies en is het nodig om het huis een paar keer in de week een goede beurt te geven. Vaak zijn het jonge vrouwen die het geld hard nodig hebben om hun familie te onderhouden. Voor een klein bedrag doen ze dit, zo’n 80 euro per maand (3 ochtenden per week). Voor onze begrippen een belachelijk laag bedrag. Daarom geef ik onze hulp Mariam altijd wat extra in de vorm van eten, kleding of iets dergelijks.
Ofschoon het laag betaald is, komen nog dagelijks jonge dames (en ook jonge mannen) langs die graag een baantje als hulp in de huishouding willen. Niet verwonderlijk met een hoog percentage werklozen, met name jongeren (10%).
Hulp in de huishouding
Vanaf het begin dat we ons huis betrokken, hebben we iemand gehad voor de schoonmaak. Samba (mijn wijlen echtgenoot) kende een dame uit zijn oude buurt die bereid was om bij ons te komen werken. Ze deed haar werk uitstekend maar na verloop van tijd meldde ze zich steeds vaker ziek. Voor ons was dat natuurlijk niet prettig en uiteindelijk gaf ze na 3,5 jaar aan dat ze wilde stoppen. Heel begrijpelijk voor een dame op leeftijd (58).
Daarna hebben we nog twee dames gehad maar allebei hebben we ze weggestuurd. Omdat ze steeds wat meenamen, bijvoorbeeld een paar eieren of wat schoonmaakmiddel. Of ze namen zomaar geld uit mijn portemonnee.
Samba zat veel voor het huis en daar kwam hij aan de praat met Mariam, een gescheiden vrouw met een dochtertje van vijf jaar, die bij ons in de buurt woont. Hij had een goede indruk van haar en vond dat we haar moesten aannemen als hulp. De week voor zijn overlijden heeft hij de andere hulp vaarwel gezegd omdat het vertrouwen weg was. Zij had geld gestolen. En zo kwam Mariam bij ons in dienst. Een stevige, goedlachse dame die we echt op dat moment nodig hadden. Iemand die te vertrouwen was en ook gauw aan de honden kon wennen die anders naar het terras moesten, twee trappen omhoog.
Mijn steun en toeverlaat
De meeste dames zijn bang voor honden en vinden ze vies. Honden zijn onrein volgens het Islamitische geloof. Gelukkig was Mariam niet geheel afwijzend naar de honden en binnen een week waren ze aan elkaar gewend. Nog geen week was Mariam werkzaam bij ons toen Samba overleed, en zij was degene die mij opving en zorgde dat het huis schoon bleef. De eerste dagen na zijn overlijden kwam ze iedere ochtend even kijken of het goed met me ging. Ook ving ze mensen op als ik er even niet was en haar opgewekte stemming was een lichtpuntje in een donkere periode.
Ondertussen is ze meer dan 3 maanden werkzaam bij me in een moeilijke tijd en is ze zo’n ongelofelijk grote steun voor me! Naast het werk dat ze in huis doet, steunt ze mij ook op momenten dat het allemaal moeilijk of minder gaat en kan ik daar met haar over praten. Ook als ik gasten krijg, staat zij klaar om te helpen door bijvoorbeeld het eten te maken. Bovendien luisteren we samen graag naar muziek, maken eten en spreken we uit dat we ons zonder man ook redden. Dan schatert ze het uit van het lachen, want ze weet heel goed wat het betekent om als vrouw alleen te zijn in de Senegalese samenleving.
Niet alleen met mij maar ook het contact met de honden heeft zich verstevigd. Hoewel ze vanuit haar eigen achtergrond honden vies moet vinden, heeft ze nu een band met ze opgebouwd, geeft ze een knuffel en gaat zelf met ze wandelen.
Tijdens zo’n wandeling krijgt ze natuurlijk allerlei reacties want een Senegalese vrouw die gaat wandelen met een hond, is uniek. Veelal zijn de reacties positief en vinden mensen haar wel stoer. Dat straalt ze overigens dan ook uit. De kinderen hebben bovendien door haar nu geleerd om niet weg te rennen. Ze roept ze tot de orde en geeft aan dat ze moeten stilstaan of gaan zitten als we langslopen, dan blijven de honden namelijk ook rustig. Ze geeft het voorbeeld hoe je met honden om moet gaan, iets wat mij niet zo makkelijk was gelukt als witte ‘buitenstaander’.
Twee alleenstaande vrouwen in een mannenwereld
Toch besef ik dat onze positie heel ongelijkwaardig is. Ik ben de witte, goed opgeleide, onafhankelijke vrouw met voldoende geld en zij een donkere vrouw die momenteel weer bij haar familie woont omdat ze het anders financieel niet redt. Bovendien ben ik de ‘werkgever’ en zij de ‘werknemer’. En niet te vergeten, donker gekleurd wordt hier nog steeds gezien als minderwaardig: hoe lichter gekleurd, hoe beter. Kortom, dat hiërarchisch denken, leeft nog volop in Senegal. Een denkwijze die voor mij moeilijk te bevatten is maar waar ik wel rekening mee moet houden.
Vindt Mariam mij zo aardig omdat ik haar, voor Senegalese begrippen, een redelijk salaris biedt en haar af en toe wat kleding en/ of eten meegeef?
Desalniettemin hebben we een belangrijke overeenkomst: we zijn allebei een alleenstaande vrouw die zich moet redden in een mannenwereld. Mariam ziet dat het voor mij als witte vrouw ook niet makkelijk is. Dat bindt ons en daarom klikt het zo goed tussen ons. Het vertrouwen is gegroeid ondanks de (voor)oordelen die er ‘leven’ vanwege onze verschillende huidskleur en achtergrond. Ik ben ervan overtuigd geraakt dat wanneer je elkaar als mens respecteert, waardeert en belangstelling hebt in elkaars leefwereld, oordelen en veroordelen te overwinnen zijn. Ik zeg altijd maar: zo je doet, zo je ontmoet!
Merci Mariam.








